4 Bewijs het maar eens

“Dat snap ik nou echt niet, dat jullie christenen geloven dat God bestaat. Ík zou dat alleen kunnen geloven als iemand me zou bewijzen dat God bestaat..”

Dit soort bezwaren horen we regelmatig in gesprekken met ongelovigen. En zelfs `gelovige` mensen hebben problemen met bepaalde verhalen uit de Bijbel. Bijvoorbeeld over dat er leven is na de dood of dat mensen op een wonderbaarlijke manier kunnen worden genezen. “Bewijs het maar eens – anders kan ik er niet in geloven!” Op zijn best is iemand dan nog geïnteres­seerd in `de boodschap áchter het verhaal`. Alsof je daar werkelijk wat mee zou opschieten: de Bijbel als veredeld sprookjesboek….

We willen een wetenschappelijk bewijs

Waarom noemen veel mensen juist het probleem van de onbewijsbaarheid van de Bijbelse boodschap? Dat heeft vooral te maken met de grote rol die de wetenschap en de resultaten daarvan in onze samenleving hebben gekregen. Het `gat` dat achtergelaten werd door het verdwijnen van het besef van Gods almacht, is in feite opgevuld door de wetenschap. Onze hele manier van denken is verregaand beïnvloed door de manier van den­ken die is ontwikkeld door wetenschappers gedurende de afgelopen eeu­wen. Iets `bestaat` pas echt, als we dat bestaan ook kunnen bewijzen. En dat betekent dat we God net zo moeten behandelen als het verschijnsel elektriciteit: God bestaat pas als we Hem kunnen waarnemen met onze meetinstrumenten. Vandaar dat astronaut Gagárin, toen hij de eerste ruim­tereis had gemaakt, zei: “God bestaat niet, want ik heb Hem niet gezien”. Dat deze opvatting zoveel invloed heeft gekregen, komt onder andere door de successen van de wetenschap: de enorme technische vooruitgang is er het bewijs (!) van.

Maar wat is `bewijs`?

Op zich is de vraag naar bewijzen voor het bestaan van God en bewijzen voor de betrouwbaarheid van het evangelie niet slecht. Het zou niet best zijn als een christen `zomaar` zou geloven wat zijn ouders of de kerk zeg­gen. De vraag is dus vooral: wat is een bewijs eigenlijk? Is een bewijs pas een bewijs als een natuurwetenschapper er tevreden mee is?

Als een ongelovige dus met het probleem van het bewijs aankomt, dan is het goed om eerst na te gaan of hij wèl zou gaan geloven als jij aan hem het bewijs zou leveren. Soms is de vraag naar bewijs namelijk alleen maar het topje van de ijsberg, en zit het probleem dieper (bijvoorbeeld: niet kun­nen aanvaarden dat God het lijden toestaat). Dan is het beter om op de werkelijke vragen in te gaan.

Verschillende soorten bewijs

Maar als de bewijsbaarheid echt het probleem is, dan is het goed om samen na te denken over wat voor soort bewijs bij God en het evangelie zou passen. Want het is natuurlijk prima dat iemand niet zomaar in fabeltjes gaat geloven. Dat vraagt God ook niet van ons. Zie bijvoorbeeld 2 Petrus 1: 16, 1 Joh. 1: 1 en 1 Kor. 15: 1-3.

Goed beschouwd zou het raar zijn als God Zelf natuurkundig bewijsbaar zou zijn. Als Hij de Schepper is, dan is Hij dus geen onderdeel van de schepping. En een natuurkundige kan alleen metingen of experimenten doen in die schepping.

Maar in de dagelijkse praktijk stellen we wel vaker niet zulke natuurweten­schappelijke eisen aan een bewijs. In rechtszaken komt het geregeld voor dat iemand veroordeeld wordt door een combinatie van sterke aanwijzin­gen. En om een nog treffender voorbeeld te gebruiken: een getrouwde vrouw vindt het heel belangrijk dat haar man niet ontrouw is. Maar gaat ze dat natuurwetenschappelijk testen door een experiment uit te voeren? Zijn trouw is vooral een kwestie van vertrouwen. En een bos bloemen kan al helpen om dat vertrouwen weer te versterken. Binnen een huwelijk een test uitvoeren om bewijs te krijgen voor de onderlinge liefde, zou eerder leiden tot onderling wantrouwen dan tot versterking van de band. Kennelijk nemen we in het dagelijks leven dus risico`s als het gaat om bewijzen.

Sterke aanwijzingen voor de betrouwbaarheid van de Bijbel

Natuurlijk is het bestaan van God en de betrouwbaarheid van de Bijbel niet alleen een kwestie van `blind vertrouwen`. Er zijn allerlei sterke aanwijzin­gen dat wat wij geloven nog zo gek niet is. Denk bijvoorbeeld aan alle aan­wijzingen die genoemd worden voor het geschapen zijn van de wereld of althans het bestaan van een `intelligent ontwerp` (Intelligent Design):

  • de grote mate van orde in de natuur (ondanks de zondeval), een orde die helemaal gericht lijkt te zijn op het mogelijk maken dat er mensen op deze aarde kunnen leven;
  • het besef van goed en kwaad dat mensen hebben;
  • het verlangen naar een god dat in alle volken voorkomt;
  • de komst en het werk van Jezus Christus.

Veel mensen hebben niet in de gaten wat de consequenties zijn als ze wer­kelijk zouden geloven in een wereld die alleen door toeval is ontstaan. Dat zou namelijk betekenen dat wat we goed en kwaad noemen, bij toeval is ontstaan en alleen maar een afspraak tussen mensen is. We zouden dan bijvoorbeeld geen recht van spreken hebben als een bepaalde groep men­sen onderling besluiten dat het vermoorden van zieke mensen geoorloofd is. We zouden dan geen argument meer hebben om Hitler te veroordelen. Sterker nog: Hitler hielp de evolutie alleen maar een handje, door de sterk­sten te laten overleven… Kortom: bijna niemand durft de consequentie aan van een `doelloze wereld`.

Sterker nog: veel mensen blijken, zonder dat er duidelijke bewijzen voor zijn, het christelijk geloof in te ruilen voor bijvoorbeeld geloof in reïncarnatie. Het lijkt erop dat men hogere eisen stelt aan de bewijsbaarheid van het christelijk geloof dan aan de bewijsbaarheid van allerlei andere zaken waarin men wèl wil geloven.

Andere aanwijzingen dat de Bijbel betrouwbaar is, zijn bijvoorbeeld:

  • het feit dat het evangelie het leven van veel mensen door de eeuwen heen sterk heeft veranderd;
  • dat veel mensen zelfs hun leven over hebben voor God;
  • dat veel mensen een persoonlijke relatie met God hebben (die zijzelf niet ervaren als inbeelding);
  • dat er wel degelijk mensen op wonderbaarlijke manier zijn genezen.

En er zou nog veel meer te noemen zijn.

Vele draden maken een sterk touw

Goed beschouwd blijken er dus wel degelijk goede redenen te zijn om in God en Zijn boodschap te geloven. Het zijn misschien geen `harde` (natuurwetenschappelijke) bewijzen, maar daarom zijn ze nog niet minder reëel of bruikbaar. Al die redenen zijn als draden die, ineengevlochten, een sterk touw vormen. Een touw dat houvast en vertrouwen geeft. In gesprek­ken met ongelovigen is het dan ook belangrijk dat we niet blijven stilstaan bij één aspect, maar dat we het geheel van die `draden` benoemen, zodat duidelijk wordt dat er wel degelijk een sterk `touw` mee is te vlechten.

Lees verder: (5) Waarom nu juist Jezus?

Naar Inleiding